anders-leren-triggerwoord-als

Als ik op de trampoline wil springen moet ik eerst mijn schoenen uittrekken (als: een voorwaarde)

Heeft je kind moeite met lezen of zelfs dyslexie?
Weet je met welke woorden je kind problemen heeft met lezen?
Bij welke woorden blijft je kind hangen en steeds opnieuw spellen?
Welke woorden slaat je kind over?

Vaak stel ik de volgende vraag aan ouders die bij mij in de praktijk komen. Weten jullie met welke woorden jullie kind problemen heeft met lezen? Meestal is het antwoord: ‘nee, niet echt’. Even later volgt dan vaak een opmerking zoals deze: ‘Maar wat ik wel gek vind is dat hij sommige lange woorden zomaar zonder problemen leest en dat hij bij hele makkelijke woorden blijft hangen of dat hij die helemaal niet leest’. Dit heeft te maken met triggerwoorden.

Let tijdens het lezen maar eens goed op waar je kind vastloopt. U zult ontdekken dat dit vaak bij dezelfde woorden gebeurt. Dit zijn meestal woorden waar je kind niet direct een beeld bij heeft. Zelfstandig naamwoorden (personen, dieren en dingen) en de meeste werkwoorden (actie-/doewoorden) geven meteen een beeld. Maar wat gebeurt er bij woordjes als dus, want, maar, terwijl, toch, de, indien? Heb je daar ook meteen een beeld bij?
Deze beeldloze woorden zijn de triggerwoorden.

Vanaf de kleutertijd komen kinderen steeds meer met taal in aanraking en ontwikkelen ze een voorkeur voor taaldenken (verbaal denken) of beelddenken (non-verbaal denken). Kinderen die overwegend in woorden/zinnen denken gebruiken hun beelden puur illustratief of ondersteunend. Kinderen die in sterke mate in beelden denken moeten steeds hun beelden omzetten in woorden en woorden in beelden. Bij deze kinderen leveren de ‘beeldloze’ woorden dan ook problemen op. Hoe sterker de mate van het denken in beelden hoe groter de problemen met letters, cijfers, symbolen en abstracte woorden.

Kinderen die een voorkeur hebben om in beelden te denken worden tijdens het lezen dus ‘geplaagd’ door woorden zonder beeld. Deze woorden ’triggeren’ waardoor het lezen wordt onderbroken en verstoord. Het kind probeert zijn verwarring op te lossen door op allerlei creatieve manieren naar het woord te kijken in een poging om het woord te ontcijferen. Vaak zonder succes. De woorden blijven steeds voor verwarring zorgen. Het is te vergelijken met het ouderwetse ruisbeeld dat vroeger bij storing op de TV verscheen. Als er steeds een ‘ruisbeeld’ verschijnt tijdens het lezen raakt een kind de draad van de zinnen en het begrip van het verhaal kwijt. Regelmatig moet een kind dan opnieuw beginnen, meestal met hetzelfde resultaat. Het loopt opnieuw vast en het begrijpt uiteindelijk niet, gedeeltelijk of niet precies waar de tekst over gaat.

Alle letters, cijfers, symbolen en woorden hebben drie kenmerken. Ze hebben een vorm (hoe je het schrijft), een klank (hoe je het uitspreekt) en een betekenis (beeld). Triggerwoorden kunnen worden opgelost door in een georiënteerde staat (gefocust) deze drie vormen tegelijkertijd op te nemen, zodat een volgende keer het woord niet meer ‘plaagt’ omdat het goed in het systeem van je kind is opgeslagen. Door dit met klei te doen creëert het kind zelf een beeld, worden meerdere zintuigen ingezet waardoor het woord (klank, vorm en betekenis) makkelijker worden onthouden.

Het is dus belangrijk dat een kind leest wat er echt staat (de vorm), het woord goed uitspreekt (de klank) en de juiste betekenis kent van alle woorden (beeld). Dit zorgt ervoor dat de hersenen de woordbeelden vlot kunnen herkennen, dat het kind op tempo kan blijven lezen en aan het einde van een zin, alinea of bladzijde nog steeds begrip heeft van het verhaal.