Wat zegt de schrijver?

Bij begrijpend lezen toetsen gaan de vragen altijd over wat de schrijver zegt, vertelt, vindt, denkt, doet, ervaart en niet wat jij zelf ervan vindt, weet of bij bedenkt. Vaak wordt aan kinderen gevraagd om na een alinea in eigen woorden na te vertellen waar het over gaat. Aan beelddenkers kun je beter vragen: Welk beeld heb je bij deze zin? Belangrijk is om te checken wat de schrijver heeft gezegd en wat je kind er zelf bij bedenkt. Beelddenkers zijn heel sterk in visualiseren (levensecht) en hebben daarom vaak moeite om te scheiden wat de schrijver heeft gezegd en wat ze zelf hebben ingevuld (associaties). Ook zien beelddenkers vaak meerdere opties bij vragen. Als je zo kijkt… of in sommige situaties… maar soms is het zo dat…. De bedenker van de vragen heeft niet zo creatief nagedacht! Zodra je kind merkt dat het heel creatief gaat doordenken is dat een signaal om te stoppen. Blijf bij de eerste gedachte.
Beelddenkers lezen vaak globaal en slaan veelal kleine ‘beeldloze’ woorden over. De grote lijn van het verhaal kunnen ze vaak wel volgen op basis van het beeld dat ze vooral vormen met de kernwoorden uit een zin, de zelfstandig naamwoorden en werkwoorden. Deze woorden geven meteen een duidelijk beeld.

Abstracte teksten

Bij meer abstracte teksten, figuurlijk taalgebruik of teksten zonder duidelijke lijn wordt het lastig. Bij het beantwoorden van vragen zijn zaken als nauwkeurig lezen, volgorde, begrip van signaalwoorden en verwijswoorden belangrijk om het goede antwoord te vinden. Het gaat om de details. Ging het over een man, één man of meerdere mannen. Beelddenkers zien vaak woorden als geen, niet, meest niet staan in de zin. Dit is voor het beantwoorden van de vragen cruciaal. Laat je kind deze woorden in de vraag onderstrepen, zodat hierop bewust de aandacht wordt gericht.

Veel problemen hebben te maken met een beperkte woordenschat, onvoldoende beeld bij verwijswoorden (dat, wat, die, daar, het, er) en signaalwoorden (immer, echter, desalniettemin, daarentegen, terwijl, tevens). Tijdens het lezen thuis kun je dit signaleren en dit oppakken. Zoek deze woorden op een creëer voor je kind een duidelijk beeld. Laat je kind één duidelijke voorbeeldzin met dit woord voor zichzelf bedenken als een soort houvast. Wanneer dit woord weer in een tekst voorkomt kan deze voorbeeldzin en het beeld/betekenis van het woord worden opgeroepen. Er zijn veel oefeningen op internet te vinden voor woordenschat, verwijswoorden en signaalwoorden.
In teksten voor de bovenbouw komen ook steeds meer uitdrukkingen en gezegden voor. Veel kinderen kennen die niet of nemen de woorden letterlijk, waardoor ze de draad van het verhaal helemaal kwijtraken. Spoor ze op en geef ze een duidelijke uitleg met beeld.

Aanpak Begrijpend Lezen toetsen

Tips voor je kind

– Bekijk waar de tekst over gaat
– Kijk naar de titel, naar de plaatjes en naar de vetgedrukte kopjes
– Gebruik de vier V’s (leestrategieën): voorkennis, visualiseren, voorspellen en vragen stellen

voorkennis:  Wat weet je al van dit onderwerp/dit kopje?

visualiseren:  Kun je in gedachten voorstellen hoe dat eruit ziet?

voorspellen: Kun je bedenken waar dit over zal gaan? Wat gaat er gebeuren?  Hoe zal het verder gaan/aflopen?

vragen stellen: Waar ben je nieuwsgierig naar? Waar wil je antwoord op hebben?

– Lees eerst alle vragen door zodat je weet wat belangrijk is en waar je op moet letten in de tekst
– Leest de tekst snel door met de vragen in je achterhoofd
– Start daarna met vraag 1 en dek de antwoorden af
– Lees de vraag nauwkeurig en onderstreep belangrijk woorden in de vraag (geen, niet, de meeste, belangrijkste)
– Probeer zelf eerst een antwoord te bedenken.
– Lees de tekst nauwkeurig vanaf het begin totdat je het antwoord hebt gevonden.
– Lees met 100% aandacht en check na elke alinea of je nog beeld hebt.
– Stop bij een onbekend woord en kijk of dit woord in de zin ervoor of erna wordt uitgelegd
– Stop als je het antwoord hebt gevonden en zet als dat mag een streepje voor de zin, zodat je het goed terug kunt vinden.
– Lees nu alle antwoorden nauwkeurig bij vraag 1 en kijk waar jouw antwoord staat.
– Twijfel je over 2 antwoorden, let dan goed op de details.
– Sommige antwoorden zijn voor een deel waar en voor een deel niet.
– Soms lijken twee antwoorden goed, maar staat in een antwoord niet alles.
– Lees vraag 2 en lees dan nauwkeurig verder totdat je het antwoord hebt gevonden.
– Doe dit ook met de rest van de vragen.
– Meestal staan de vragen op volgorde en gaan de laatste paar vragen over de hele tekst.